Een voedselbos zou niet compleet zijn zonder composttoilet. In tegenstelling tot mijn buren traditionele boeren die, als de zon schijnt, een uurtje met hun tractor heen en weer komen rijden, zijn voedselbosboeren wel lange dagen aan het werk op een relatief beperkte oppervlakte. En dan kan je natuurlijk niet zonder toilet — als je het een beetje beschaafd wil houden toch.
Over een composttoilet vallen er wel een aantal interessante dingen te vertellen. Ten eerste heb je drie soorten composttoilet.
Soorten
De eerste soort is het klassieke droogtoilet waarbij urine en vaste ontlasting samen in één emmer terechtkomen. Na elke toiletbeurt strooi je er zaagsel, bladeren, hennepstrooisel of ander koolstofrijk materiaal overheen. Dat voorkomt geur, houdt vliegen weg en zorgt ervoor dat de compostering goed verloopt. Dit systeem is extreem eenvoudig: een houten hokje, een toiletbril, een emmer en wat droog materiaal zijn eigenlijk al voldoende. Het heeft iets primitiefs, maar tegelijk ook iets heel logisch. Je hebt geen waterleiding nodig, geen riool en geen ingewikkelde techniek. Alles blijft lokaal.
De tweede soort is het urinescheidend composttoilet, en dat is het systeem dat wij in het voedselbos gebruiken. Daarbij worden urine en vaste ontlasting van elkaar gescheiden. Dat klinkt misschien als een detail, maar het maakt een groot verschil. Urine bevat vooral stikstof en is in principe vrij proper wanneer ze het lichaam verlaat. Door die apart op te vangen blijft de vaste fractie veel droger, waardoor er minder geur ontstaat en de compostering beter verloopt. Bovendien raakt de emmer minder snel vol en krijg je een aangenamere structuur om verder te verwerken.
De derde soort is een toilet waarin het composteringsproces ter plaatse gebeurt. De ontlasting valt in een groot vat dat jaarlijks of tweejaarlijks wordt uit gekuist en waaruit je gecomposteerd materiaal haalt. Deze constructie is wat ingewikkelder om te bouwen omdat je ergens een vat kwijt moet kunnen. In de praktijk bouw je dat dan op een verhoogje met een luik achteraan om aan het vat te kunnen. Bon, alle gekheid op een stokje… ik zag mezelf eerlijk gezegd niet zo’n vat stront uitkuisen elk jaar. Dat is toch net iets anders dan een emmertje op de composthoop gooien.
Dat hele idee van een composttoilet voelt voor veel mensen eerst een beetje ongemakkelijk. We zijn zo gewend geraakt aan het klassieke spoeltoilet dat we nauwelijks nog nadenken over wat er eigenlijk gebeurt wanneer we op een knop drukken. Met perfect drinkwater spoelen we voedingsstoffen weg die uiteindelijk in een energieverslindend zuiveringssysteem terechtkomen. Een composttoilet draait die logica om. In plaats van iets weg te spoelen, probeer je opnieuw deel te worden van een natuurlijke kringloop.
Humanure
En daarmee komen we bij het woord waar veel mensen spontaan een beetje ongemakkelijk van worden: humanure. Dat betekent simpelweg menselijke mest die gecomposteerd wordt. Eigenlijk verschilt het principe niet van gewone compostering. Je combineert stikstofrijk materiaal met koolstofrijk materiaal, micro-organismen doen hun werk, de temperatuur loopt op en na voldoende tijd blijft er stabiele humus over.
Bij ons gaat de inhoud van het toilet op een aparte composthoop. Daar wordt alles afgedekt met bladeren, houtsnippers of ander bruin materiaal. Vervolgens krijgt de hoop vooral tijd. Dat is eigenlijk de belangrijkste factor. Tijdens het composteren ontstaat een enorm actief biologisch proces waarbij bacteriën, schimmels en andere organismen organisch materiaal afbreken. In een goed werkende composthoop kunnen temperaturen ontstaan die hoog genoeg zijn om ziekteverwekkers af te breken. Daarna volgt nog een lange rijpingsfase waarin alles verder stabiliseert tot donkere, kruimelige compost.
Veel van de angst rond humanure komt voort uit historische situaties waarin menselijke uitwerpselen inderdaad een bron van ziekte waren. Maar dat ging meestal over open riolen, vervuild drinkwater en verse uitwerpselen die rechtstreeks in contact kwamen met mensen. Dat heeft weinig te maken met gecontroleerde compostering.
In Vlaanderen was menselijke mest trouwens eeuwenlang helemaal geen taboe, maar een economische grondstof. In het boek Arm Vlaanderen. Een wereldgeschiedenis beschrijft Maarten Van Ginderachter hoe in het arme Vlaanderen van de negentiende eeuw zelfs het beroep van “mestschepper” bestond. Die mensen haalden menselijke uitwerpselen uit stadsputten en beerkelders om ze naar het platteland te vervoeren als meststof. In een tijd van grote armoede ging niets verloren. Menselijke mest had economische waarde omdat landbouwgrond er vruchtbaarder van werd. Eigenlijk is het ironisch: wat wij vandaag als vies of gevaarlijk beschouwen, was ooit gewoon onderdeel van de landbouwkringloop.
Natuurlijk ging dat vroeger vaak gepaard met erbarmelijke hygiënische omstandigheden. Mensen werkten letterlijk tussen open beerputten en ongezuiverd afvalwater die dan ook nog eens cholera bacteriën ed bevatten. Dat is ook waar de historische angst vandaan komt. Maar een modern composttoilet heeft daar weinig mee te maken. Het grote verschil is gecontroleerde compostering. Tijd, zuurstof, microbiologisch leven en temperatuur doen hun werk. Wat uiteindelijk overblijft is geen “menselijke mest” meer in de letterlijke zin, maar stabiele compost.
En eerlijk gezegd voelt dat in een voedselbos best logisch. Een voedselbos draait net om kringlopen sluiten. Bladeren worden bodem. Snoeihout wordt schimmelvoedsel. Regenwater infiltreert opnieuw in de grond. Dan is het eigenlijk vreemd dat we onze eigen voedingsstoffen met drinkwater wegspoelen alsof ze waardeloos zijn.


